béis

Lëtzebuergesch
English
nasty; bad; to be annoyed; strong
Français
méchant; fâcheux; être fâché; marqué
Deutsch
boshaft; schlimm; böse sein; arg
Woordsoort
ADJ
Synoniem
rose sinn; béisaarteg; schlëmm; uerg; wéischt; queesch sinn; schro

Uitspraak (IPA)

[bɜɪs]

Betekenissen en vertalingen

Betekenis 1

Deutsch
böse; boshaft
Français
méchant; méchamment (désagréable, malveillant)
English
mean; nasty; nastily
Português
mau; ruim; maldoso; maldosamente
Nederlands
kwaadaardig; hatelijk

Synoniemen

béisaarteg · wéischt

Betekenis 2

Deutsch
böse; schlimm (unangenehm)
Français
fâcheux; fâcheusement
English
bad; badly (unpleasant)
Português
mau; duro; grave; mal
Nederlands
naar; slecht; onaangenaam

Synoniemen

schlëmm · schro

Betekenis 3

Deutsch
wütend sein; böse sein
Français
être fâché
English
to be cross; to be annoyed
Português
estar zangado; estar aborrecido
Nederlands
kwaad zijn; boos zijn

Synoniemen

queesch sinn · rose sinn

Betekenis 4

Deutsch
schlimm; arg
Français
marqué (fort, prononcé)
English
sharp; strong
Português
pronunciado; marcado
Nederlands
scherp; sterk (bocht; accent)

Synoniemen

uerg

Gebruiksnotities

Bijvoeglijke naamwoordsvormen

Bijvoeglijke naamwoordsvormen →
Bijvoeglijke naamwoordsvormenLëtzebuergesch
Stellende trap · Enkelvoud · Mannelijk · Nominatiefbéisen
Stellende trap · Enkelvoud · Mannelijk · Accusatiefbéisen
Stellende trap · Enkelvoud · Mannelijk · Datiefbéisen
Stellende trap · Enkelvoud · Mannelijk · Genitiefbéisen
Stellende trap · Enkelvoud · Vrouwelijk · Nominatiefbéis
Stellende trap · Enkelvoud · Vrouwelijk · Accusatiefbéis
Stellende trap · Enkelvoud · Vrouwelijk · Datiefbéiser
Stellende trap · Enkelvoud · Vrouwelijk · Genitiefbéiser
Stellende trap · Enkelvoud · Onzijdig · Nominatiefbéist
Stellende trap · Enkelvoud · Onzijdig · Accusatiefbéist
Stellende trap · Enkelvoud · Onzijdig · Datiefbéisen
Stellende trap · Enkelvoud · Onzijdig · Genitiefbéisen
Stellende trap · Meervoud · Alle geslachten · Nominatiefbéis
Stellende trap · Meervoud · Alle geslachten · Accusatiefbéis
Stellende trap · Meervoud · Alle geslachten · Datiefbéisen
Stellende trap · Meervoud · Alle geslachten · Genitiefbéiser
Overtreffende trap · Enkelvoud · Mannelijk · Nominatiefbéisten
Overtreffende trap · Enkelvoud · Mannelijk · Accusatiefbéisten
Overtreffende trap · Enkelvoud · Mannelijk · Datiefbéisten
Overtreffende trap · Enkelvoud · Mannelijk · Genitiefbéisten
Overtreffende trap · Enkelvoud · Vrouwelijk · Nominatiefbéist
Overtreffende trap · Enkelvoud · Vrouwelijk · Accusatiefbéist
Overtreffende trap · Enkelvoud · Vrouwelijk · Datiefbéister
Overtreffende trap · Enkelvoud · Vrouwelijk · Genitiefbéister
Overtreffende trap · Enkelvoud · Onzijdig · Nominatiefbéist
Overtreffende trap · Enkelvoud · Onzijdig · Accusatiefbéist
Overtreffende trap · Enkelvoud · Onzijdig · Datiefbéisten
Overtreffende trap · Enkelvoud · Onzijdig · Genitiefbéisten
Overtreffende trap · Meervoud · Alle geslachten · Nominatiefbéist
Overtreffende trap · Meervoud · Alle geslachten · Accusatiefbéist
Overtreffende trap · Meervoud · Alle geslachten · Datiefbéisten
Overtreffende trap · Meervoud · Alle geslachten · Genitiefbéister
Spellingvarianten

Alleen door de bron gecontroleerde varianten worden voorgesteld.

  • béis
  • béis sinn
  • béisem
  • béisen
  • béiser
  • béist
  • béistem
  • béisten
  • béister

Voorbeeldzinnen

  1. gëff dech mat deene béisen Ënnerstellungen!

    Betekenis 1: kwaadaardig; hatelijk

  2. wéinst sengem béise Charakter wëllt kee méi eppes mat deem Typ ze dinn hunn

    Betekenis 1: kwaadaardig; hatelijk

  3. meng lescht Remark war net béis gemengt

    Betekenis 1: kwaadaardig; hatelijk

  4. dat do ass eng béis Geschicht!

    Betekenis 2: naar; slecht; onaangenaam

  5. mir gi béisen Zäiten entgéint

    Betekenis 2: naar; slecht; onaangenaam

  6. d'Infirmière gouf an eng béis Affär eragezunn

    Betekenis 2: naar; slecht; onaangenaam

  7. déi Geschicht kann ënner Ëmstänn béis ausgoen

    Betekenis 2: naar; slecht; onaangenaam

  8. firwat bass de béis mat eis?

    Betekenis 3: kwaad zijn; boos zijn

  9. meng Schwëster ass wéinst enger Dommheet béis iwwer mech

    Betekenis 3: kwaad zijn; boos zijn

  10. mäi Mataarbechter ass béis , mee e wëllt kengem soen, firwat

    Betekenis 3: kwaad zijn; boos zijn

  11. ech si richteg béis ginn, wéi ech vun deene Ligen héieren hunn

    Betekenis 3: kwaad zijn; boos zijn

  12. hei mécht d'Strooss eng béis Kéier

    Betekenis 4: scherp; sterk

  13. dee Speaker huet awer e béisen Accent

    Betekenis 4: scherp; sterk

Bron: ZLS / LOD · juli 2026 · CC0

→