Knietchen

Lëtzebuergesch
English
knot [fastening]; knot [in wood]; lump [swelling]
Français
nœud [enlacement]; nœud [dans le bois]; tumeur
Deutsch
Knoten [Verschlingung]; Knoten [im Holz]; Knoten [Verdickung von Gewebe]
Woordsoort
SUBST M
Meervoud
Knietercher

Uitspraak (IPA)

[knˈiətɕən]

Spellingvarianten

Alleen door de bron gecontroleerde varianten worden voorgesteld.

  • Knietchen
  • Knietercher

→