Lächelchen

Lëtzebuergesch
English
hole [hollow place]; hole [opening]
Français
trou [creux, cavité]; trou [orifice, vide]
Deutsch
Loch [Vertiefung]; Loch [Öffnung, leere Stelle]
Woordsoort
SUBST N
Meervoud
Lächelcher

Uitspraak (IPA)

[lˈæɕəlɕən]

Spellingvarianten

Alleen door de bron gecontroleerde varianten worden voorgesteld.

  • Lächelchen
  • Lächelcher

→