opdeelen
Lëtzebuergesch
- English
- to share; to split
- Français
- répartir
- Deutsch
- aufteilen
- Woordsoort
- VRB
- Hulpwerkwoord
- hunn
- Voltooid deelwoord
- opgedeelt
Uitspraak (IPA)
[ˈopdeːlən]
Betekenissen en vertalingen
Betekenis 1
- Deutsch
- aufteilen (untereinander teilen)
- Français
- répartir (partager)
- English
- to divide; to share
- Português
- repartir (partilhar)
- Nederlands
- opdelen (onder elkaar verdelen)
Betekenis 2
- Deutsch
- aufteilen (einteilen)
- Français
- répartir (diviser, classer)
- English
- to divide; to split (into groups)
- Português
- repartir (dividir, classificar)
- Nederlands
- indelen (in groepen)
Spellingvarianten
Alleen door de bron gecontroleerde varianten worden voorgesteld.
- opdeelen
- opdeels
- opdeelt
- opgedeelt
- opgedeeltem
- opgedeelten
- opgedeelter
- opzedeelen
Voorbeeldzinnen
wa mer d'Aarbecht opdeelen , da gi mer méi séier fäerdeg
Betekenis 1: opdelen
mir mussen eis d'Chargen opdeelen
Betekenis 1: opdelen
d'Joffer huet d'Kanner an zwou Gruppen opgedeelt
Betekenis 2: indelen
Werkwoordvervoeging
- Infinitief
- opdeelen
- Voltooid deelwoord
- opgedeelt
- Hulpwerkwoord
- hunn
Aantonende wijs · Tegenwoordige tijd
- ech
- deelen op
- du
- deels op
- hien / hatt / si
- deelt op
- mir
- deelen op
- dir
- deelt op
- si
- deelen op
Aantonende wijs · Voltooid tegenwoordige tijd
- ech
- hunn opgedeelt
- du
- hues opgedeelt
- hien / hatt / si
- huet opgedeelt
- mir
- hunn opgedeelt
- dir
- hutt opgedeelt
- si
- hunn opgedeelt
Aantonende wijs · Voltooid verleden tijd
- ech
- hat opgedeelt
- du
- has opgedeelt
- hien / hatt / si
- hat opgedeelt
- mir
- haten opgedeelt
- dir
- hat opgedeelt
- si
- haten opgedeelt
Voorwaardelijke wijs · Tegenwoordige tijd
- ech
- géif / géing opdeelen
- du
- géifs / géings opdeelen
- hien / hatt / si
- géif / géing opdeelen
- mir
- géifen / géingen opdeelen
- dir
- géift / géingt opdeelen
- si
- géifen / géingen opdeelen
Voorwaardelijke wijs · Verleden tijd
- ech
- hätt opgedeelt
- du
- häss opgedeelt
- hien / hatt / si
- hätt opgedeelt
- mir
- hätten opgedeelt
- dir
- hätt opgedeelt
- si
- hätten opgedeelt
Gebiedende wijs · Tegenwoordige tijd
- du
- deel op!
- dir
- deelt op!
Bron: ZLS / LOD · juli 2026 · CC0
→