präsent

Lëtzebuergesch
English
present; to be present; to call to mind
Français
présent; être (bien) présent; avoir présent à l'esprit
Deutsch
anwesend; präsent sein; präsent haben
Woordsoort
ADJ

Uitspraak (IPA)

[pʀezˈænt]

Bijvoeglijke naamwoordsvormen

Bijvoeglijke naamwoordsvormen →
Bijvoeglijke naamwoordsvormenLëtzebuergesch
Stellende trap · Enkelvoud · Mannelijk · Nominatiefpräsenten
Stellende trap · Enkelvoud · Mannelijk · Accusatiefpräsenten
Stellende trap · Enkelvoud · Mannelijk · Datiefpräsenten
Stellende trap · Enkelvoud · Mannelijk · Genitiefpräsenten
Stellende trap · Enkelvoud · Vrouwelijk · Nominatiefpräsent
Stellende trap · Enkelvoud · Vrouwelijk · Accusatiefpräsent
Stellende trap · Enkelvoud · Vrouwelijk · Datiefpräsenter
Stellende trap · Enkelvoud · Vrouwelijk · Genitiefpräsenter
Stellende trap · Enkelvoud · Onzijdig · Nominatiefpräsent
Stellende trap · Enkelvoud · Onzijdig · Accusatiefpräsent
Stellende trap · Enkelvoud · Onzijdig · Datiefpräsenten
Stellende trap · Enkelvoud · Onzijdig · Genitiefpräsenten
Stellende trap · Meervoud · Alle geslachten · Nominatiefpräsent
Stellende trap · Meervoud · Alle geslachten · Accusatiefpräsent
Stellende trap · Meervoud · Alle geslachten · Datiefpräsenten
Stellende trap · Meervoud · Alle geslachten · Genitiefpräsenter
Spellingvarianten

Alleen door de bron gecontroleerde varianten worden voorgesteld.

  • präsent
  • präsentem
  • präsenten
  • präsenter

→