present

Lëtzebuergesch
English
present; to be present; to call to mind
Français
présent; être (bien) présent; avoir présent à l'esprit
Deutsch
anwesend; präsent sein; präsent haben
Woordsoort
ADJ

Uitspraak (IPA)

[pʀezˈænt]

Betekenissen en vertalingen

Betekenis 1

Deutsch
anwesend
Français
présent (physiquement)
English
present (physically)
Português
presente (fisicamente)
Nederlands
aanwezig (present)

Betekenis 2

Deutsch
präsent sein (unumgänglich sein)
Français
être (bien) présent (être incontournable)
English
to be present (to be unavoidable)
Português
estar (bem) presente (ser incontornável)
Nederlands
onontkoombaar zijn (absoluut noodakelijk zijn)

Betekenis 3

Deutsch
präsent haben (im Gedächtnis haben)
Français
avoir présent à l'esprit
English
to recall; to call to mind
Português
ter presente (na memória)
Nederlands
zich kunnen herinneren

Bijvoeglijke naamwoordsvormen

Bijvoeglijke naamwoordsvormen →
Bijvoeglijke naamwoordsvormenLëtzebuergesch
Stellende trap · Enkelvoud · Mannelijk · Nominatiefpresenten
Stellende trap · Enkelvoud · Mannelijk · Accusatiefpresenten
Stellende trap · Enkelvoud · Mannelijk · Datiefpresenten
Stellende trap · Enkelvoud · Mannelijk · Genitiefpresenten
Stellende trap · Enkelvoud · Vrouwelijk · Nominatiefpresent
Stellende trap · Enkelvoud · Vrouwelijk · Accusatiefpresent
Stellende trap · Enkelvoud · Vrouwelijk · Datiefpresenter
Stellende trap · Enkelvoud · Vrouwelijk · Genitiefpresenter
Stellende trap · Enkelvoud · Onzijdig · Nominatiefpresent
Stellende trap · Enkelvoud · Onzijdig · Accusatiefpresent
Stellende trap · Enkelvoud · Onzijdig · Datiefpresenten
Stellende trap · Enkelvoud · Onzijdig · Genitiefpresenten
Stellende trap · Meervoud · Alle geslachten · Nominatiefpresent
Stellende trap · Meervoud · Alle geslachten · Accusatiefpresent
Stellende trap · Meervoud · Alle geslachten · Datiefpresenten
Stellende trap · Meervoud · Alle geslachten · Genitiefpresenter
Spellingvarianten

Alleen door de bron gecontroleerde varianten worden voorgesteld.

  • present
  • present hunn
  • present sinn
  • presentem
  • presenten
  • presenter

Voorbeeldzinnen

  1. d'Membere vum Verwaltungsrot waren all present

    Betekenis 1: aanwezig

  2. d'Informatik ass haut an all Beräich present

    Betekenis 2: onontkoombaar zijn

  3. ech hunn den Text vum Kontrakt net méi present

    Betekenis 3: zich kunnen herinneren

Bron: ZLS / LOD · juli 2026 · CC0

→