Trüffel

Lëtzebuergesch
English
truffle [fungus]; truffle [sweet]
Français
truffe [champignon]; truffe [confiserie]
Deutsch
Trüffel [Pilz]; Trüffel [Praline]
Woordsoort
SUBST F
Meervoud
Trüffelen

Uitspraak (IPA)

[tʀˈyfəl]

Spellingvarianten

Alleen door de bron gecontroleerde varianten worden voorgesteld.

  • Trüffel
  • Trüffelen

→